Woordenlijst
 Wekelijkse update 

 Woordenlijst
Naam Verklaring
Achterboom Boomvormig en opstaand achterdeel van het zadel.
Afstand houden De ruimte tussen twee ruiters zowel in de manege als buiten. Er moet een afstand worden aangehouden van ongeveer 2 m tussen het eigen paard dat er voor loopt. Dit is een elementaire veiligheidsregel.
Bit Een metalen voorwerp, soms bekleed met rubber en leer, dat in de mond van het paard wordt geplaatst en waarmee het paard via de teugels gestuurd word. Er bestaat een groot aantal bitten naar vorm en gebruik. Een trensbit is de verzamelnaar van bitten die op de mondhoeken van het paard inwerken. De trens kan gebroken of uit één stuk zijn.
Concours hippique Een wedstrijddiscipline waarbij het paard en de ruiter diverse hindernissen moeten nemen en een exact uitgestippeld parcours moeten volgen. De hindernissen zijn niet vast: zodra het paard ze raakt vallen ze om.
Cross-country Een parcours in de natuur die men binnen een bepaalde tijd moet afleggen.
Draf Een van de natuurlijke gangen van het paard. De draf zit tussen de stap en de galop in. Doorzitten in draf: de ruiter blijft in zijn zadel zitten en vangt de schokken op. Lichtrijden in draf: de ruiter staat 1 van de 2 tellen en steunt dan in de stijgbeugels.
Dressuur Training van het paard met het doel hem vertrouwd te maken met steeds subtieler hulpen en hem steeds ingewikkelder oefeningen te leren. Dressuur is een wedstrijddiscipline.
Galop Een van de natuurlijke gangen van het paard. De galop is de snelste natuurlijke gang.
Gang De wijze waarop het paard zich verplaatst. De gang word gedefinieerd volgens de volgorde waarin hij zijn hoeven op de grond neerzet. De natuurlijke gangen zijn de stap, de draf en de galop. In de dressuur kent men andere, de zgn.'kunstmatige gangen. 
Halster Een samenstelsel van riemen waaraan een paard geleid of vastgezet wordt.
Hand Een term die veelvuldig wordt gebruikt en onderdeel vormt van tal van uitdrukkingen. Als men traint in de manege of op het oefenterrein rÿdt men op de rechterhand, dat wil zeggen dat men de rechterhand aan de binnenzijde van de manege of het oefenterrein heeft. Van hand veranderen betekent: van richting veranderen in de manege. Een lichte hand hebben wil zeggen dat men zichmet zachtheid en precisie van zijn handen bedient. Een paard aan de hand leiden wil zeggen het paard zonder teugels of aan de longe houden zonder erop te zitten.
Hoefslag De baan die in de manege of op het oefenterrein langs de verschansing loopt.
Hoofdstel Het tuig rond het hoofd van het paard.
Hulpen De middelen waarover de ruiter beschikt om met zijn paard te communiceren. De natuurlijke hulpen zijn de benen, de handen, het lichaamsgewicht en de stem. De kunstmatige hulpen zijn bijvoorbeeld de zweep, de longeerzweep voor de training aan de hand en de sporen.
Inrijden De eerste fase van de africhting van een jong paard. In deze fase wordt het paard vertrouwd gemaakt met de mens zonder dat er op hem gezeten wordt. Vervolgens krijgt hij het hoofdstel om en tenslotte het zadel plus de ruiter.
Kinketting Deel van het hoofdstel of het leidsel dat onder de kin van het paard zit om te voorkomen dat het hoofdstel van het hoofd afglijdt. De kinketting moet niet afgesteld worden.
Kleur De kleur van de vacht en manen van het paard. 
Longe Een lange of kortere riem. De korte longe (halstertouw) wordt vastgemaakt aan het halster zodat men het paard kan geleiden of vastmaken. De lange longe (longeerlijn, 4 tot 8 m) is bestemd voor het trainen van het paard in een cirkel.
Oefenterrein Een open ruimte waar ruiters trainen. Er staan barrières omheen en kan al naargelang de vorm en indeling bestemd worden voor bijzonder gebruik, zoals dressuur of springen. Wat het laatstgenoemde betreft bevat het oefenterrein tal van hindernissen ter behoeve van de training of concoursen.
Poetsen De dagelijkse verzorging van het paard waarin hij geroskamd en geborsteld wordt en zijn hoeven worden schoongemaakt. 
Sporen Metalen hulpen aan de laarzen van de ruiter met aan het uiteinde een min of meer langgerekte en afgeronde punt. Door hiermee de flanken van het paard aan te raken wordt de beweging van de benen verduidelijkt en versterkt.
Stap De langzaamste natuurlijke gang van het paard.
Stijgbeugels Metalen ringen met afgeplatte ondervlakken waarin de voeten van de ruiter rusten. De stijgbeugel zit aan het zadel vast met behulp van een lange riem; de stijgbeugelriem.
Teugels: Lange lederen riem die aan het bit vast zit en waarmee de ruiter zijn paard kan sturen. In de traditionele rijkunst zijn de twee teugels aan elkaar vast gemaakt om een enkele grote lus te vormen.
Trenstoom: Hoofdstel voorzien van een gewone trens waarmee het paard geleid kan worden.
Voorboom: Voorste boombormige gedeelte van een zadel. Men kan zich daar met de hand aan vasthouden.
Zit: De manier waarop een ruiter op zijn paard zit.
Zweep: Een soort van buigzame korte roede die de ruiter gebruikt om het paard aan te sporen als de benen niet voldoende zijn.