Het adenovirus is een veel voorkomende infectie (50% van de paarden heeft antistoffen op éénjarige leeftijd), die in het algemeen slechts een milde luchtweginfectie veroorzaakt: lichte verhoging, neusuitvloeiïngen, vergrote lymfeklieren en een paar dagen hoesten. Als het hoestem langer dan een paar dagen duurt, is een complicerende bacteriële infectie opgetreden en moet deze behandeld worden. Een inenting hiervoor bestaat nog niet.
Reovirus
Er bestaan drie stammen reovirus, die alle een lichte luchtweginfectie veroorzaken. Er bestaan aanwijzingen dat het virus een rol speelt bij het 'Poor Performance Syndrome". dat gezien wordt bij volbloeds op de renbaan.
Onder de familie van de Reovirussen hoort ook het Orbivirus, de verwekker van de Afrikaanse Paardepest. De ziekte wordt in de tropen en subtropen (tot in Spanje) door een stekende vlieg overgebracht. Aangezien deze vlieg in Nederland niet voorkomt, hoeven we voor deze zeer ernstige ziekte in Nederland niet bang te zijn. Inenten tegen deze ziekte is overigens wel mogelijk.
Rhinovirus
De twee stammen van het Rhinovirus geven vooral ontstekingen van de voorste luchtwegen (neus en keel) met overvloedige neusvloeiïng, die eerst waterig is, maar na enkele dagen etterig wordt. De infectie komt ook veel voor bij wat oudere paarden. (vierjarigen: 70% heeft antistoffen!)
Herpesvirus
Van dit virus zijn vijf typen bekend, waarbij vooral EHV-1 berucht is wegens de abortus die het veroorzaakt. Voor alle Herpesvirussen geldt dat na infectie de dieren vaak een latente overhouden; het virus verstopt zich ergens in het lichaam en veroorzaakt bij verminderde weerstand opnieuw ziekte (de koortslip van de mens wordt ook door een Herpesvirus veroorzaakt). Als EHV-1 voor het eerst een stoeterij besmet, kan het abortuspercentage oplopen tot 90%.
Bij niet-drachtige paarden veroorzaakt het Herpesvirus een mild verlopende luchtweg infectie, die door de eigenaar vaak niet eens wordt opgemerkt. Een ernstige complicatie die kan optreden is dat het zenuwstelsel geschadigd wordt, wat kan leiden tot axatie (variërend van lichte gevallen die na enkele maanden volledig herstellen tot totale verlamming).
Er zijn de afgelopen jaren nogal wat discussies geweest over de vraag of enten zinvol is. Wat in ieder geval zeker is, is dat niet alle abortusgevallen voorkomen kunnen worden door enten; dit met name door de herbesmetting vanuit de latente dragers die ook door enting niet van hun infectie afkomen.
Wat echter ondertussen ook bewezen is, is dat in een geënte populatie het abortuspersentage flink daalt en laagst blijft als je blijft enten. We maken momenteel gebruik van de modernste entstof die te koop is en naar onze mening is het wel zinvol om te enten, maar dan wel jaarlijks blijven herhalen. Van het belang is dan wel dat alle paarden die op de stal staan geënt worden en dat men zich aan het entschema houd.
Influenza
Van de in Nederland voorkomende virusinfecties kan het influenzavirus de meest ernstige verschijnselen veroorzaken. In niet geënte groepen kan 90 procent ziek worden met 2 procent sterfte, vooral veulens.
De verschijnselen bestaan vooral uit hoge koorts, hard en veel hoesten met uitgebreide aantasting van het longweefsel, met grote kans op secundaire bacteriële infecties en tevens in een aantal gevallen ontsteking van oogslijmvlies, hartspier en skeletspieren.
Herstel kan weken tot maanden duren en de ziekte kan zich door de grote besmettelijkheid razendsnel verspreiden. Veel paarden houden aan een infectie restverschijnselen over (dampigheid). Doordat er intensief geënt wordt, is de ziekte nu onder controle, maar er zit hierbij toch nog wel een addertje onder het gras: influenzavirussen hebben de onhebbelijkheid regelmatig te veranderen (antigeendrift door mutaties), zodat nieuwe stammen ontstaan.
Deze stammen moeten wel in de entstoffen zitten, anders werkt deze niet. Gelukkig verandert het paarde-influenzavirus niet zo snel als het menseninfluenzavirus en de nu gebruikte entstof geeft op dit moment goede bescherming.
Droes
Deze ziektebesmet meestal jonge paarden (oudere dieren hebben meestal weerstand door de levenslange immuniteit na infecties), die na een incubinatietijd van 2 tot 10 dagen eerst een heftige keelontsteking krijgen met slikmoeilijkheden, zeer snel gevolgd door verettering van de keellymfeklieren. De dieren blijven ziek totdat de ontstoken lymfeklieren doorbreken, een proces dat versneld kan worden door het smeren van rijpende zalven (trekzalf). Na het doorbreken van de ontsteking treedt meestal vlot herstel op.
Bij uitzondering worden lymfeklieren elders in het lichaam aangetast (verslagen droes) wat een gevaarlijke en vaak dodelijke complicatie is. Het is, behalve bij verslagen droes, zinloos een paard met droes met antibiotica te behandelen omdat de bacterie in de veretterde lymfeklieren niet te bereiken is en het ziekteproces alleen maar langer duurt. Als de behandeling begint voordat het paard ziek is, is droes met penicilline wel te voorkomen (bij een uitbraak op stal alle andere paarden op stal dagelijks temperaturen en bij beginnende temperatuurstijging onmiddelijk inspuiten met penicilline). Een paard blijft tot één à twee maanden na herstel de bacterie uitscheiden, soms bij uitzondering tot zes maanden lang. Ook in de stal kan de bacterie lang aanwezig blijven. Ontsmetten dus.
Af en toe zien we een infectie met een wat goedaardiger broertje van de droes, Streptococcus equisimilis. Het beeld lijkt op droes, alleen minder heftig, en de aangetaste lymfeklieren breken lang niet altijd door.
Tegen droes bestaat géén goede entstof, ondanks alle pogingen die daartoe zijn ondernomen. Na infectie ontstaat een levenslange immuniteit.
Rhodococcus equi
Voor de door deze bacterie veroorzaakte ziekte bestaat in Nederland geen aparte naam. in Engeland heeft men het over de Rattles. Rhodococcus equi veroorzaakt longontsteking bij veulen.
Deze bacterie is nogal bijzonder: hij kan buiten het paard heel makkelijk in leven blijven en zich ook in de omgeving vermenigvuldigen.
Als een bedrijf eenmaal besmet is, kan het probleem jarenlang elk jaar terugkomen. op zo'n bedrijf worden veulens ziek; ze krijgen meestal vrij ernstige longontsteking (zonder antibioticabehandeling vaak hoge sterfte) met heel vaak abcesvorming in de longen.
Deze abcesvorming maakt langdurige behandeling nodig, omdat na schijnbaar herstel de ziekte vaak opnieuw weer opflakkert. Met name verzwakte dieren zijn het vatbaarste voor infectie (wormbesmetting, stress door overbevolking)
Ook tegen deze infectie bestaat geen enting. Er bestaat wel een (leeftijds afhankelijke) weerstand (alleen veulens worden ziek).
Dampigheid
Men is er langzamerhand over eens dat dampigheid (Chronic Obstructive Pulmonary Disease) als oorzaak een allergisch probleem heeft.
De volgorde is meestal; virusinfectie - beschadiging longepitheel - irritatie aan het afweersysteem - ontstaan van overgevoeligheid - reageren op stoffen waarop een normale long niet hoort te reageren - ontstekingsreacties en bronchusvernauuwing - dampigheid.
De optredende bronchusvernauwing is dan astma in engere zin, maar dat is lang niet het enige wat er aan de hand is. Bij ver voortgeschreden gevallen ontstaat uiteindelijk longemfyseem, het knappen van de longblaasjes, wat leidt tot onherstelbare schade. Uit de omschrijving van wat er aan de hand is, volgt de behandeling van de kwaal ook al; in de acute fase het behandelen van een eventueel achterliggende infectie, opheffen van de bronchuspasme met spasmolyca, het taaie slijm dunner maken om het ophoesten te vergemakkelijken met medicijen of - heel heftig - door het geven van infusen in grotere hoeveelheden, het afremmen van de ongewenste ontstekingsreactie met medicijnen. De behandeling met infusen geeft vaak wel een snel resultaat maar is niet zonder gevaar.
Aangezien paarden meestal een allergie ontwikkelen voor de mijten en de schimmels die voorkomen in het stof van hooi en stro (uitzonderingen komen af en toe voor) betekent dit voor een chronisch hoestend paard:
Als de eigenaar van een dampig paard de omgeving optimaal weet te krijgen, is het paard in bijna alle gevallen uitstekend bruikbaar te houden zonder dat medicijnen nodig zijn.
Koliek
Koliek of terwijl buikpijn kan bij een paard zeer ernstige gevolgen hebben. Waarschuw bij koliek direct uw dierenarts. Hoe eerder er behandeld kan worden, hoe beter. Er zijn een aantal maatregelen die koliek bij uw paard kunnen voorkomen. U dient consequent wormen en horzellarven te bestrijden. Geef uw paard altijd hooi van goede kwaliteit en vernietig schimmelig hooi en geef geen ijskoud water of bevroren voedsel. Geef wortelen en bieten alleen zandvrij. Voer paarden bij, als ze op een kale wei lopen, zodat ze niet behoeven te zoeken naar voedsel en daarbij veel zand binnen krijgen. Laat uw paard niet te lang stil staan op stal. Geef in elk geval (zo mogelijk) dagelijks stapbeweging; ook om beenaandoeningen te voorkomen. En tot slot, voorkom dat uw paard te snel afkoelt als het heeft gewerkt.
Ontwormen bij paarden
Enters en oudere paarden dienen om de zes weken te worden ontroomt. Voor drachtige merries geldt dat zij zo kort mogelijk voor het veulenen worden ontroomt. Veulens zijn vaak reeds op een leeftijd van negen dagen via de melk veulenwormen besmet. Een dergelijke besmetting gaat gepaard met een groengele, stinkende diarree. Deze diarree treedt meestal op in de periode dat de merrie in de veulenhengstigheid verkeert. Ook spoelwormen komen bij het veulen op zeer jonge leeftijd voor, Deze wormen ontwikkelen zich zeer snel, waardoor het veulen zichzelf ook besmet. U dient uw veulen op de volgende wijze te behandelen; Op een leeftijd van een à twee weken de eerste wormbehandeling tegen veulenwormen, op een leeftijd van vier à zes weken de tweede worm behandeling en dan om de zes weken ontwormen. Na de leeftijd van vier weken gaan ook andere wormen dan de veulenwormen een rol spelen. De wormen, speciaal de wormen bij het veulen, zijn niet voor alle wormpreparaten gevoelig. Overleg daarom met uw dierenarts over het te gebruiken preparaat en het te volgend schema.
Paardenhorzel