Dressuur
Hogere Dressuur
De zig-zag in galop : De zig-zag in galop of zigzag-appuyementen zijn een serie appuyementen gereden aan beide zijden van de middellijn in een vast patroon van zo veel passen naar links, zo veel passen naar rechts enz. Vaak worden zigzag-appuyementen over de middellijn gereden. De ruiter kan dan bijvoorbeeld vier passen appuyement naar links rijden, een changement uitvoeren, acht passen appuyement naar rechts geven, weer changeren en ten slotte vier passen naar links appuyeren om weer op de middellijn uit te komen. In de Grand Prix is het vereiste aantal passen drie en zes.

Vliegende changementen in serie of à tempo : Changementen in serie zijn galopwisselingen die in vaste series worden uitgevoerd. Dit kan zijn om de vier, drie en twee passen en zelfs om de pas. Om een goed changement uit te voeren, dient het paard te beschikken over een grote sprongkracht. Hierdoor wordt de zweeffase tijdens de galop langer en heeft het paard meer tijd om zijn benen 'om te zetten'.
De hulpen voor de changementen à tempo : Voor de changementen om de pas houdt u de beide benen tegen de flanken aan. Terwijl u van de ene galop naar de andere gaat, ontspant en spant u vanzelf de druk van de kuit.
Voor de changementen om de twee, drie en vier pas houdt u het paard in galop tot u wilt changeren, dan geeft u krachtig de hulpen.
. 
De piaffe : De piaffe is de verzamelde draf op de plaats. Bij deze oefening worden de benen diagonaalsgewijs opgetild en neergezet in een verende draf, waarbij het paard op één plaats blijft. De piaffe is een van de zwaarste en moeilijkste dressuuroefeningen. Het paard moet zijn vier benen even hoog optillen om als het ware van de ene stap in de andere te springen. Daarbij wordt de achterhand omlaag gebracht.
De hulpen voor de piaffe : Geef een halve ophouding en rijd het paard voorwaarts met een licht recht bovenlichaam en zit en hele lichte teugelhulpen. Beenhulpen moeten zacht en zwaaiend zijn. De ruiter moet op het paard afgaan; als het goede passen maakt moeten lichte, diagonale hulpen gegeven worden. Als het paard 'kleeft' gebruikt u beide benen tesamen in het ritme van de passen om meer impuls te krijgen, maar de passen niet te versnellen.

De passage : De passage is een sterk verzamelde draf, waarbij de voorhand hoog wordt opgeheven en de achterhand extra wordt ondergebracht. De passage heeft een uitgesproken zweefmoment. Hierdoor lijkt het alsof het paard in slowmotion gaat.
De hulpen voor de passage : Geef een halve ophouding in stap, draf of piaffe. Verlicht uw zit en leg beide benen dicht om uw paard. Rijd het paard voorwaarts met zit- en beenhulpen in ritme met de passen van de passage.
De handen controleren het evenwicht en het tempo van de snelheid en het ritme van de passen.