Dressuur
De Gevorderde Dressuur
Het appuyeren : Bij het appuyeren verplaatst het paard zich in een voorwaarts-zijwaartse richting op twee hoefslagen. Daarbij is het paard licht gebogen en gesteld in de richting van de beweging. Het zet de buitenbenen voor de binnenbenen langs. De voorhand wordt voorwaarts geleid door de teugels en de achterhand wijkt voor de eenzijdige kuitdruk. Het houdt zijn lichaam vijwel parallel aan de zijden en tilt zijn benen goed op.
De hulpen voor het appuyeren rechts : In stap, draf of galop maakt u een halve ophouding en kijkt u in de richting waarheen u gaat. Plaats het rechterbeen op de singel, zodat het paard zich hierom kan buigen en om het voorwaarts te rijden, indien nodig. Vraag rechterstelling met rechterhand en plaats uw linkerbeen achter de singel vor de zijwaarts beweging. De linkerteugel gebruikt u om het tempo en de balans van het paard te onderhouden en voor de juiste buiging te bewaren..

Travers en renvers :
De travers : De travers is een zijgang op twee hoefslagen met vier sporen, waarbij het paard kijkt in de richting waarheen hij gaat. Elk been heeft een eigen spoor. Bij de travers blijft de voorhand op de hoefslag en wordt de achterhand naar binnen gebracht. Het paard is hierbij om het binnenbeen van de ruiter gebogen. Het paard kruist met zijn buitenbenen voor die aan de binnenzijde langs. De hoek van de beweging bij een travers is groter dan bij de schouderbinnenwaarts.
De hulpen voor de travers : Geef een halve ophouding voor de hoek van de rijbaan. Leg het binnenbeen op de singel om het paard omheen te buigen en voorwaarts te rijden. Vraag een binnenstelling met binnenteugel. Leg het buitenbeen achter de singel om de achterhand mee te nemen. Gebruik de buitenteugel om paard in balans en juiste buiging te houden.

De renvers : De renvers is een zijgang waarbij de voorhand naar binnen wordt gebracht en de achterhand op de hoefslag blijft. Het paard is gebogen om het buitenbeen van de ruiter. Zoals de travers wordt deze oefening op twee hoefslagen met vier sporen uitgevoerd.
De hulpen voor de renvers : Geef een halve ophouding. Gebruik de binnenteugel om de voorhand naar binnen te brengen. Leg het buitenbeen op de singel om het paard omheen te laten buigen. Leg het binnenbeen achter de singel om de achterhand op de hoefslag te houden. Gebruik de buitenteugel om stelling te verkrijgen, terwijl de binnenteugel de balans en de voorhand controleert.

De contra-galop : Deze oefening is zeer belangrijk voor de africhting van uw paard. Een paard dat op de juiste wijze is afgericht en gehoorzaam aan de galophulpen is, moet met deze oefening geen moeite hebben. De contra-galop en het eenvoudig changement (zie deel 1 : DE GANGEN ) moeten beide geoefend worden, voordat men begint aan het vliegend changement.
De hulpen voor de contra-galop rechts op hoefslag links : Rijd rond de rijbaan in arbeids- of verzamelde galop, buitenvoorbeen voorgrijpend. Geef vlak voor de hoek een halve ophouding om het paard in evenwicht te brengen, zodat het in contra-galop door de hoek kan gaan. Houd het rechterbeen op de singel om het paard voorwaarts te rijden en te helpen een lichte buiging rechts te verkrijgen. Houd het linkerbeen achter de singel om de rechtergalop aan te geven. Gebruik de rechterteugel om de stelling in de richting van het leidende voorbeen te controleren en te behouden. Gebruik de linkerteugel om het evenwicht te bewaren en het paard door de hoeken te sturen of op de volte te houden
Het vliegend changement : Wanneer het paard op de hulpen van de ruiter tijdens het zweefmoment omspringt van de ene galop in de andere, spreken we van een changement of galopwisseling. Het omspringen dient altijd met voor- en achterbenen op hetzelfde moment te gebeuren. Het is dus verkeerd wanneer de voorbenen na de achterbenen wisselen of omgekeerd. Een voorbereiding op deze oefening is de eenvoudige galopwisseling of eenvoudig changement.
De hulpen voor het vliegend changement : Geef in de rechtergalop een halve ophouding. Breng het linkerbeen iets naar voren en ontspan deze. Het rechterbeen brengt u achter de singel om het paard attent te maken om het naar de linkergalop te brengen. Rijd goed voorwaarts met de zit maar verlicht deze op het moment van changeren.

Pirouettes :
Pirouette in stap : Bij de pirouette in stap moeten de passen actief en goed voorwaarts gereden worden. Houd altijd de buiging in de richting van de beweging. Wanneer de oefening is voltooid moet het paard voorwaarts gereden worden op een rechte lijn. Binnenbeen en buitenteugel laten het paard ophouden met de pirouette, maar de ruiter moet zorgen in het ritme van de passen te drijven en het paard niet opeens op een rechte lijn te jagen.
De pirouette in galop : Bij de pirouette in galop - die zowel een draai van 180° (halve pirouette) als een van 360° (hele pirouette) kan inhouden - is het paard gebogen in de richting van de beweging en gaat met zeer hoge, verzamelde passen. De achterhand zakt. Een goede halve pirouette bestaat uit drie galoppassen, en een goede hele pirouette bestaat uit vijf of zeven galoppassen. De pirouette in galop vraagt zeer grote inspanning van het paard, de hele pirouette moet dus niet te vaak gevraagd worden.
De hulpen voor de pirouette in galop rechts : Geef een halve ophouding in verzamelde galop. Richt u op en leg het rechterbeen op de singel om het paard omheen te laten buigen en om het binnenbeen actief te houden. Leg het linkerbeen achter de singel en gebruik de rechterteugel voor stelling en richting aan te geven. De linkerteugel controleert de buitenschouder. Kijk in de richting van de beweging.
