Dressuur

 De gangen
 

Stap
Draf
Galop
De gangen , hoe zitten ze in elkaar ?
Variaties van gangen
Arbeidspassen
Verzamelde passen
Middenpassen
Gestrekte passen
De halve ophouding
De eenvoudige galopwissel
De contragalop

 
 
 De verzamelde arbeid
 

Het verzamelen en uitstrekken
Het halthouden
Het achterwaarts gaan
De schakel
Begin van de arbeid op 2 hoefslagen
       >
Keertwending om de voorhand
       >
Keertwending om de achterhand
       >
Schouder-voor
       >
Wijken voor de kuit
Verdere arbeid op 2 hoefslagen
       >
Schouderbinnenwaarts

 
 
 De gevorderde dressuur
 

Het appuyeren
Travers en revers
De contra-galop
Het vliegend changement
Pirouettes

 
 
 Hogere dressuur
 

De zig-zag in galop
Vliegende changementen in serie of à tempo
De piaffe
De passage

 
 

Artikel 100 - Doel en Algemene Principes van de Dressuur

  1. De dressuur heeft de harmonische ontwikkeling van het organisme en van de natuurlijke eigenschappen van het paard ten doel. Het paard wordt daarbij levendig, gehoorzaam en kalm in zijn bewegingen gemaakt, waarbij een volmaakte harmonie met zijn ruiter tot stand komt.
  2. Deze ontwikkeling wordt zichtbaar door:
  3. Het paard geeft aldus de indruk dat het uit vrije wil datgene doet, wat hem gevraagd wordt. Met vertrouwen en oplettendheid geeft het zich edelmoedig over aan de ruiter; het paard blijft daarbij volkomen recht bij al zijn bewegingen op de rechte lijn en past zijn buiging aan, aan de bogen van alle andere lijnen.
  4. Zijn stap is regelmatig, vrij en ontspannen. Zijn draf is regelmatig, vrij, soepel, in verband en actief. Zijn galop is regelmatig, licht en gecadanceerd. Zijn achterhand moet in alle omstandigheden actief zijn. Op eerste aanvraag van de ruiter wordt deze actiever en verlevendigt daardoor de bewegingen van alle andere delen van het paard.
  5. Dankzij de steeds aanwezige impuls en de elastische buigzaamheid van zijn gewrichten, welke door geen enkele beperking worden tegengewerkt, gehoorzaamt het paard bereidwillig en zonder weifelen, met kalmte en stiptheid aan de verschillende hulpen van de ruiter. Het paard toont daarbij zowel geestelijk als fysiek een harmonisch en natuurlijk evenwicht.
  6. Bij al het werk, met inbegrip van het halthouden, moet het paard in de hand gesteld zijn. Een paard is in de hand gesteld, wanneer de hals, afhankelijk van de graad van africhting en van de mate van verzameling in de gang, meer of minder opgericht en gewelfd is. Het paard toont daarbij gehoorzaamheid met een licht en soepel contact van de teugel en een algehele ontspanning. Het draagt het hoofd daarbij recht met de neus - in het algemeen - iets voor de loodlijn. Het nekgewricht blijft daarbij soepel en de nek het hoogste punt van de hals. Het paard toont geen enkele weerstand ten opzichte van zijn ruiter.
  7. De houding van het paard zal wisselen al naar gelang de mate van verzameling. Bij de, voor de verzamelde gangen noodzakelijke grote verzameling, moet de achterhand dalen. De licht gebogen hals mag daarbij niet korter worden, maar moet een hogere graad van oprichting tonen, waarbij de nek het hoogste punt moet blijven.
  8. Het paard mag zich nooit tegen de aanleuning verzetten. Het moet steeds vol vertrouwen een lichte aanleuning naar voren zoeken. Daarbij moet de mond gesloten zijn; het paard moet het bit afkauwen. Het knarsen met de tanden of het zo nu en dan uitsteken of omhoog trekken van de tong wordt als een kleine fout beschouwd. Daarentegen wordt het over het bit gooien of het langdurig uitsteken van de tong als een grotere fout beschouwd.
  9. De cadans is het resultaat van de harmonie, die een paard laat zien wanneer het zich in balans beweegt met duidelijke regelmaat en impuls. Het ritme dat het paard in alle gangen onderhoudt, is een integraal onderdeel van de cadans. De cadans behoort te worden behouden gedurende de verschillende oefeningen en in de afwisseling van iedere gang.
  10. Onder takt wordt de exacte regelmaat van de beweging verstaan; elke pas wordt in dezelfde tijdsduur en met dezelfde lengte uitgevoerd en heeft daarmee dezelfde bewegingsafloop. Onder tempo wordt de snelheid van de beweging in alle gangen verstaan. Het tempo wordt, opgewekt en beheerst door de inwerking van de ruiter, ook wel impuls genoemd.